Neuropsycholoog Eveline Crone (EUR):
“We hebben die rebelse jongeren hard nodig, omdat zij met een creatieve en nieuwe bril naar de wereld kijken”
Neuropsycholoog Eveline Crone onderzoekt hoe de hersenen van jongeren zich ontwikkelen en hoe zij hun weg vinden in een complexe samenleving. Ze won vele prestigieuze wetenschapsprijzen en schreef de bestseller Het Puberende Brein. “Ik was zelf een brave puber.”
Keynote SURF Research Day 19 mei
In haar keynote op SURF Research Day (19 mei 2026) vertelt Eveline Crone ons alles over haar werk in het GUTS-consortium: hierin werken 7 universiteiten vanuit verschillende disciplines samen om te onderzoeken hoe jongeren opgroeien in een complexe samenleving.
Het onderzoek van Eveline Crone heeft ons beeld van de puberteit gekanteld: pubers zijn niet lastig of 'onaf', ze maken een unieke periode van bloei door waarin ze leren wie ze zijn en hoe ze hun weg vinden in de maatschappij. Eveline was een van de eerste onderzoekers ter wereld die puberhersenen onderzocht door MRI-scans, vragenlijsten en experimenten te combineren. Sommige jongeren volgt ze decennialang.
Eveline Crone
Wat was je zelf voor puber?
“Toch wel een vrij standaard puber. Ik was niet superrebels. Mijn vader is jong overleden, dus ik ben met mijn moeder en mijn zus opgegroeid, echt een drie-eenheid. Ik heb een geweldige moeder die mijn vader en mijn moeder tegelijk was. Ik denk dat ik daardoor thuis gewoon heel behulpzaam was. Maar op school vond ik het wel leuk om een beetje te rebelleren, om status te krijgen bij mijn leeftijdgenoten. Nu kijk ik daarop terug en denk: wat interessant, je hoeft niet altijd dezelfde persoon te zijn in alle omstandigheden.”
In jouw werk breng je neurowetenschap, sociale wetenschap, psychologie, maatschappij én de ideeën van jongeren zelf bij elkaar. Waarom?
“Ik begon 20 jaar geleden met hersenonderzoek: je bent dan met een groep mensen over de hele wereld aan het ontdekken hoe het brein werkt, hoe gebieden in de hersenen samenwerken en hoe dat in relatie staat tot gedrag. Ik zat in een flow van ontdekkingen en dat is zo tof om mee te maken. Maar na een jaar of 10, 15 kom je op een soort verzadigingspunt. Een aantal grote vragen hebben we nu goed uitgespit: hoe werkt het menselijk brein in het algemeen, hoe maak je een rekenopdracht, hoe herken je emoties van een ander? Ik ging me afvragen waarin mensen juist van elkaar verschillen, en waarom.”
“Als je ontdekt dat er een wittestofbaan in de hersenen is die reageert op impulsiviteit ben je helemaal blij: we kunnen op basis van het brein voorspellen wat mensen gaan doen. Maar het heeft geen enkele relevantie in de samenleving. Of iemand een misdaad gaat plegen, of over kan naar het volgende schoolniveau, kun je echt niet voorspellen op basis van een hersenscan. Als ik naar scholen ging om een lezing te geven over risicogedrag van jongeren, zeiden docenten: ‘Interessant, maar hoe relateert het aan motivatie? Daar zien we veel problemen.’ Ik realiseerde me: oh, is dát waar jullie mee zitten?”
“Ik raakte dus een beetje gefrustreerd: er zijn grotere vraagstukken te beantwoorden en we hebben meer dan één onderzoeksmethode nodig om die van alle kanten te belichten. Met alleen experimenten in een lab mis je de essentie van waar mensen in de maatschappij mee bezig zijn. Daarom zijn wij zogeheten participatief actieonderzoek gaan doen, waarbij de doelgroep betrokken is bij de vragen die je stelt en de richting waarin het onderzoek moet gaan. Ik denk dat je op basis van die methode ook je MRI-onderzoek naar hersenontwikkeling verbetert, omdat je andere typen vragen gaat stellen. Dat is misschien wel de moeilijkste opdracht voor wetenschappers: de juiste vragen stellen.”
In het GUTS-project onderzoek je de neuropsychologische ontwikkeling van jongeren in relatie tot de maatschappij en invloeden als sociale media. Hoe onderzoek je al die complexe verbanden?
“Dat is ook best een uitdaging. Wetenschappers hebben behoefte aan autonomie en zijn super-eigenwijs, ikzelf ook. Dus het is niet makkelijk om zoveel mensen dezelfde kant op te krijgen. Dat lukt alleen als je de stip op de horizon duidelijk hebt: dit is waar we het gezamenlijk voor doen.”
GUTS staat voor growing up together in society. Een consortium waar 7 universiteiten aan meewerken. “We zijn nu 3 jaar bezig en ik ben trots dat het ons is gelukt om met meerdere werkpakketten, die allemaal op een ander aspect van jongeren focussen, een geharmoniseerde dataset te verkrijgen, inclusief de MRI.”
“In de verschillende werkpakketten kijken we naar sociaaleconomische status, vertrouwen in instituties, het hebben van toekomstperspectief, academisch succes, sociale netwerken en het overtreden van de wet. Bij al die cohorten voeren we dezelfde metingen uit en verwerken die in één overzicht. Dat is nog nooit eerder gebeurd. Zo proberen we beter te begrijpen waarom jongeren doen wat ze doen en hoe hun persoonlijke en maatschappelijke doelen zich ten opzichte van elkaar verhouden.”
Welke uitdagingen spelen hierbij op gebied van ict en data?
“Onze datamanager werkt samen met de datastewards van de deelnemende universiteiten en SURF, om een mooi overkoepelend platform te maken waar al die data samenkomen en ook toegankelijk zijn op alle verschillende locaties. De grootste uitdaging is de spanning tussen privacy en open science. Wij werken ook nog eens met minderjarigen, die je extra wil beschermen, maar we vinden het ook belangrijk om de data met elkaar te delen. De vraag is dan of je dingen afgeschermd kunt houden, met de mogelijkheid het in de toekomst weer open te zetten.”
Wat is een van de meest verrassende inzichten die je hebt opgedaan in jouw onderzoek?
“Dat is wel van een tijdje geleden, maar nog steeds leidend in mijn onderzoek. Toen we eenmaal ontdekten dat bepaalde beloningskernen in de hersenen extra gevoelig zijn bij jongeren, gingen we dat al snel relateren aan risicogedrag: alcohol drinken of roken voor de status of vanuit groepsdruk. Maar toen realiseerden we ons dat de kernen in de hersenen die zo gevoelig zijn voor beloning ook heel belangrijk zijn voor samenwerking, het vormen van diepe en intieme vriendschappen, een vertrouwenspersoon zijn voor je beste vriend. Allemaal positieve sociale competenties die gelden voor de meeste jongeren.”
“We zagen de adolescentie te lang als een periode van problemen"
“We zagen de adolescentie te lang als een periode van problemen. Dat gaat trouwens al eeuwen terug hoor, Socrates zei al: die jeugd van tegenwoordig is helemaal niks. Maar het was wel de verkeerde bril om door te kijken, want het klopte helemaal niet met onze ontdekkingen.”
“Eén van de mooiste dingen van mijn werk is dat de maatschappij nu ook anders kijkt naar jongeren: ze zijn best goed bezig terwijl ze opgroeien in een erg complexe samenleving, met klimaatverandering, sociale ongelijkheid, een pandemie, oorlogsdreiging, maar ook de hele snelle digitale ontwikkeling en dat je de hele dag online kan zijn. We hebben die kracht en die wijsneusachtige, rebelse houding van jongeren heel hard nodig, omdat zij met een creatieve en nieuwe bril kijken naar de wereld. We hebben binnen mijn lab net een groot onderzoek gedaan over polarisatie, omdat jongeren dat zelf agendeerden. Dat is heel hoopvol.”
Op welke manier zie je dit terug bij je eigen tieners?
“Mijn kinderen vinden het leuk als ze mij tegenkomen in een lesboek en ze denken supergoed mee over mijn onderzoek. De jongerenpanels waarmee we werken hebben ook een grote behoefte aan authenticiteit. Die sparen ons op geen enkele manier en geven het meteen aan als het anders moet. Mijn kinderen doen dat net zo. Mijn dochter is heel maatschappelijk betrokken, een typische 17-jarige die een grote behoefte voelt om de wereld te veranderen. Heel mooi om te zien. Ik hoop dat het haar lukt. En mijn zoontje is 12, die is nog een beetje zichzelf aan het ontdekken, en wie hij is in de wereld.”
"Met alleen experimenten in een lab mis je de essentie van waar mensen in de maatschappij mee bezig zijn"
Heb je nog een grote droom op onderzoeksgebied?
“Als jongeren de game changers zijn voor maatschappelijke vraagstukken, is het brein van volwassenen dan misschien afgesteld op het ondersteunen daarvan? We weten dat de hersenen sterk veranderen onder invloed van zwangerschap, ouderschap, hormoonveranderingen, als je van baan wisselt – dus in verschillende fases in het leven. Als je richting de 65 gaat krijg je een andere, meer ondersteunende rol in de samenleving en ik wil onderzoeken of je brein zich daarop aanpast.”
“Ik ga nu zelf een fase in waarin mijn belangrijkste drijfveer is om de talenten in mijn groep te zien doorgroeien naar belangrijke plekken. Dat gebeurt al veel hoor, ik heb mooie groepen kunnen laten ontstaan op verschillende plekken in Nederland. Daarnaast hoop ik echt op een andere academische cultuur, gericht op samenwerking en niet op competitie.”
Tekst: Josje Spinhoven
Foto’s: Sicco van Grieken
Eveline Crone
1999: Master of Science in de psychologie (Universiteit van Amsterdam)
2003: cum laude gepromoveerd aan de UvA
2003-2005: postdoc aan UC Davis
2005: zette het Brain and Development Lab op aan de Universiteit Leiden
2009: benoemd tot hoogleraar Neurocognitieve Ontwikkelingspsychologie
2013: lid KNAW
2020: hoogleraar Ontwikkelingsneurowetenschap in de Maatschappij aan de Erasmus Universiteit Rotterdam
Eveline kreeg verschillende prestigieuze onderzoekssubsidies, waaronder een Veni-, Vidi- en Vici-subsidie van NWO en 2 subsidies van de Europese Onderzoeksraad ERC: een Starting Grant in 2010 en een Consolidator Grant in 2016. In september 2017 ontving Eveline de Spinoza-prijs, de hoogste onderscheiding in de Nederlandse wetenschap, voor haar onderzoek naar het brein van adolescenten.