Nationaal Platform Praktijkgericht Onderzoek: samen de zichtbaarheid van praktijkgericht onderzoek vergroten

Het praktijkgericht onderzoek levert waardevolle kennis en producten op voor de beroepspraktijk en het onderwijs. Deze kennis en producten kunnen nog meer mensen bereiken dan nu het geval is, als alle informatie meer zichtbaar en vindbaar wordt gemaakt. Om dit mogelijk te maken ontwikkelen we het Nationaal Platform Praktijkgericht Onderzoek.

Onderzoekers in bibliotheek

Praktijkgericht onderzoek vindbaar en toegankelijk

Hogescholen doen veel praktijkgericht onderzoek. Dit draagt bij aan de vernieuwing van onderwijs, innovaties in het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. De resultaten die dit onderzoek opleveren zijn veelzijdig. Naast artikelen zijn dit bijvoorbeeld prototypes, protocollen, modellen of lesmateriaal. Al deze resultaten uit praktijkgericht onderzoek willen we beter vindbaar en toegankelijker maken voor een breed publiek. 

Juist praktijkgericht onderzoek is van grote waarde voor het onderwijs en de maatschappij, en moet daarom zo goed mogelijk toegankelijk zijn.

Ambitie: een web van onderzoeksinformatie

We willen het onder andere onderzoekers en lectoren makkelijk maken om informatie óver en kennis úit het Nederlandse praktijkgericht onderzoek te delen op dit centrale nationale platform. Zo maken we dit materiaal beschikbaar voor beroepsgenoten bij andere hogescholen, maar ook voor een breder publiek, zoals voor journalisten en iedereen die hierin interesse heeft. Deze informatie en kennis moet vervolgens ook eenvoudig op andere, bestaande platforms gedeeld kunnen worden. Binnen dit innovatieproject ontwikkelen we daarom een nationaal platform met diverse functionaliteiten en toepassingen, zodat een inzichtelijk en open web van onderzoeksinformatie ontstaat.  Dit draagt bij aan de ambities op het gebied van open science die alle hogescholen hebben uitgesproken.

Lectoren, docent-onderzoekers, onderzoeksondersteuners, ICT’ers en beleidsmakers werken in dit project samen aan een grotere zichtbaarheid van praktijkgericht onderzoek.

Van mock-up naar dienst

Tijdens de eerste fase van dit project hebben we onderzoekers, lectoren en andere eindgebruikers bevraagd over hun wensen, ideeën, ervaringen en suggesties voor het nationaal platform. Op basis van deze uitkomsten is een blauwdruk voor dit platform opgesteld, met daarin een voorstel hoe deze wensen functioneel vormgegeven kunnen worden. Gezamenlijk met het projectteam, de werkgroepen, de vele vertegenwoordigers vanuit het hbo, is het goedgekeurde voorstel gebouwd en getest door o.a. lectoren, docenten, onderzoekers en journalisten.
 
Hierdoor zijn we nu beland in de laatste fase van het project. In deze fase staan de volgende doelen centraal: de ontwikkeling van een volledig werkend platform, het inrichten van governance, marketing, communitymanagement en de redactie. De redactie zal zorgdragen voor het zichtbaar maken van de onderzoeken door middel van het schrijven en publiceren van content zoals artikelen en video’s. Er is dus nog veel te doen, maar het einde is in zicht.

Onderzoekers zijn als leverancier, gebruiker en ambassadeur van onderzoeksresultaten een belangrijke eindgebruiker in dit project.

Hogescholen verbeteren toegankelijkheid praktijkgericht onderzoek

Aan dit project werken 14 hogescholen, onder aanvoering van de Hogeschool van Amsterdam, samen met de Vereniging Hogescholen, Regieorgaan SIA, HKI en SURF. Het project wordt gefinancierd door het ministerie van OCW, en loopt van 2019 tot 2022. In 2018 leverden de Vereniging Hogescholen, Regieorgaan SIA, de HKI en SURF een rapport op over de mogelijkheid tot verbetering van deze zichtbaarheid door het gezamenlijk aanpassen van de infrastructuur. Dit gaf aanleiding tot de start van het project Nationaal Platform Praktijkgericht onderzoek.

Vaak gestelde vragen

Hieronder vind je de vaak gestelde vragen over het project. Staat jouw vraag er niet bij? Neem dan contact op met één van de projectleiders, John Doove of Eva Woertman.

Welke hogescholen doen mee?
  • ArtEZ 
  • Breda University of Applied Sciences 
  • Codarts 
  • Fontys Hogescholen
  • Haagse Hogeschool 
  • Hanzehogeschool Groningen 
  • Hogeschool van Amsterdam (penvoerder) 
  • Hogeschool van Arnhem en Nijmegen  
  • Hogeschool der Kunsten Utrecht 
  • Hogeschool Rotterdam
  • Hogeschool Utrecht 
  • Saxion 
  • Van Hall Larenstein 
  • Zuyd Hogeschool  

Dit zijn de hogescholen die een bestuurder hebben afgevaardigd in de Strategische Raad, die de rol van opdrachtgever vervult voor dit project.  

Daarnaast zijn bijna alle andere hogescholen op één of andere manier betrokken bij het project, bijvoorbeeld doordat medewerkers deelnemen in één van de vier werkgroepen of geïnterviewd zijn ten behoeve van het ontwerp van het platform. Het gaat daarbij om de volgende hogescholen: 

  • Aeres Hogeschool 
  • Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten 
  • ArtEZ University of the Arts 
  • Avans Hogeschool 
  • Breda University of Applied Sciences 
  • Christelijke Hogeschool Ede 
  • Codarts Rotterdam 
  • De Haagse Hogeschool 
  • Design Academy Eindhoven 
  • Driestar Hogeschool 
  • Fontys Hogescholen 
  • Gerrit Rietveld Academie 
  • Hanzehogeschool Groningen 
  • HAS Hogeschool 
  • Hogeschool de Kempel 
  • Hogeschool der Kunsten Den Haag 
  • Hogeschool Inholland 
  • Hogeschool iPabo 
  • Hogeschool Leiden 
  • Hogeschool Rotterdam 
  • Hogeschool Utrecht 
  • Hogeschool van Amsterdam 
  • Hogeschool van Arnhem en Nijmegen 
  • Hogeschool Viaa 
  • Hogeschool voor de Kunsten Utrecht 
  • Hogeschool Windesheim 
  • Hotelschool The Hague 
  • HZ University of Applied Sciences 
  • Iselinge Hogeschool 
  • Katholieke Pabo Zwolle 
  • Marnix Academie 
  • NHL Stenden Hogeschool 
  • Saxion Hogeschool 
  • Thomas More Hogeschool 
  • Van Hall Larenstein 
  • Zuyd Hogeschool 
Wat is de planning, wanneer kunnen we het platform verwachten?

In maart 2021 zal het design van het platform in grote lijnen zijn opgeleverd. In mei 2021 volgen de Proof of Concept (POC) van één koppeling en een mock-up van een deel van de techniek achter het platform. De planning van de oplevering van het gehele project is medio 2022. 
 

Hoe wordt dit project gefinancierd?

Het ministerie van OCW stelt in totaal 900.000 euro ter beschikking. SURF draagt 200.000 euro bij. Verschillende hogescholen dragen bij in menskracht en expertise, bijvoorbeeld door medewerkers deel te laten nemen in pilots of werkgroepen.  

Hoe kan ik als hogeschool of als individu werkzaam in het hbo meedoen aan dit project?

Je kan als individu op verschillende manieren meedoen: 

  • Geef je op voor één van de werkgroepen rondom Metadata, Privacy, Communicatie en Governance. 
  • Stel jezelf beschikbaar voor één van de testen van de ontwerpen, nu of in een volgende fase.  
  • Heb je een goed idee, kennis van bepaalde bronsystemen, ervaring op het gebied van redactioneel werk of een andere expertise waarvan je denkt dat wij daar echt gebruik van moeten maken? We staan altijd open voor overleg! 

Ook als hogeschool is het mogelijk om mee te doen in dit project, in overleg met het Adviescollege Open Science.  
 
Neem over deelname contact op met Eva Woertman (eva.woertman@surf.nl)  
 

Wat is de doelgroep van het platform?

Het platform wordt toegankelijk voor iedereen met interesse in en kennis uit praktijkgericht onderzoek. Een aantal doelgroepen wordt actief betrokken en bediend: 

  • Lectoren en andere onderzoekers 
  • Docenten 
  • Professionals uit de beroepspraktijk 
  • Media 
Op welke wijze worden onderzoekers betrokken bij dit traject?

We hebben met 20 – 25 onderzoekers gesproken in de eerste fase van dit project, zowel lectoren als docent-onderzoekers, afkomstig van meer dan 10 verschillende hogescholen. Deze interviews, workshops en groepsgesprekken hebben de basis gevormd voor het volgende faseplan. 

In de huidige fase zijn tot dusver 32 mensen geïnterviewd, van wie 8 onderzoekers. Op dit moment zijn er nog meer gesprekken met onderzoekers gepland voor de komende weken.  

In het projectteam zijn onderzoekers op de volgende wijze betrokken: 

  • Een lector neemt plaats in de stuurgroep om daar het perspectief van onderzoekers te vertegenwoordigen; 
  • in de DenkTank zitten twee onderzoekers; 
  • een lector was betrokken bij de aanbesteding van de bouwpartij;  
  • een lector en een onderzoeker waren betrokken bij de aanbesteding van de UX designpartij;  
  • in zowel de werkgroep communicatie als de werkgroep Governance neemt een lector deel. 
Hoe worden andere doelgroepen dan onderzoekers betrokken bij het project?

In alle fases zijn ook docenten en professionals aan het woord gekomen in enkele interviews. Het ontwerp van het platform verloopt iteratief, en na elke iteratie wordt het ontwerp met diverse mensen uit de verschillende groepen besproken.  
 
In de DenkTank, de onafhankelijke adviesraad voor dit project, worden ook de perspectieven vanuit docenten, journalisten en communicatieadviseurs vertegenwoordigd.  
 
In maart-april 2021 wordt er een uitgebreide testronde gehouden, waarbij zowel ontwerp, functionaliteiten als door een redactie ontwikkelde content worden beoordeeld en getest. Dit gebeurt niet alleen met onderzoekers, maar ook met mensen uit de media, beroepspraktijk en het hoger onderwijs.  
 

Hoe worden de koppelingen tot stand gebracht? Welke systemen worden als bronbestand benut?

In samenwerking met de werkgroep Metadata en Mark de Jong (in de functie van NPPO ICT-architect) zullen wij standaarden voor het koppelen van systemen kiezen. Per systeem zal worden bepaald welke informatie uitgewisseld mag worden. Daarbij zullen wij voor de nodige flexibiliteit in het platform zorgen. 

Op dit moment hebben wij ‘in scope’ om te koppelen met bronsystemen gebaseerd op SURFsharekit, PURE, Metis en het RIS systeem van Saxion. Koppeling met andere systemen op basis van een van de aangeboden koppelingen is natuurlijk mogelijk. 
Daarnaast zijn er ambities om te koppelen met andere systemen waar informatie uit het platform gebruikt kan worden, of waar extra informatie opgehaald kan worden. 
 

Als je content plaatst op het platform, waar staat deze content dan? Bij SURF in een cloudomgeving of bij de kennisinstelling zelf?

Het doel is het platform waar mogelijk op basis van metadata te laten werken. Content gerelateerd aan het onderzoek zal in het bronsysteem staan en daarnaar zal verwezen worden. Daar waar mogelijk is, zullen we deze wel in het platform tonen. Content die gebruikt wordt om de metadata te verrijken (bijvoorbeeld een interessante foto die niet in het bronsysteem staat) kan op het platform bewaard staan. De opslag zal dan onder de verantwoordelijkheid van de beheerder van het platform vallen, en die organisatievorm wordt nog bepaald in dit project.  

Hoe zorgen we dat onderzoekers hun data maar op één plaats hoeven bij te houden?

Eén van de uitgangspunten voor het platform is het principe “create once, publish everywhere”. Waar mogelijk passen we dit principe toe, bijvoorbeeld door zoveel mogelijk aan te sluiten bij uitwisselingsstandaarden en zoveel mogelijk bestaande informatie bij bijvoorbeeld de hogescholen op te halen. In hoeverre dit gaat lukken en hoe we dit precies gaan vormgeven is nog deel van het onderzoek, en is natuurlijk ook afhankelijk van de mogelijkheden en voorwaardes die de bronsystemen van de hogescholen bieden. 

Zit er een link tussen dit platform en het digitale competence centre (dcc)?

Zowel dit project als het dcc vallen onder het open science programma van de Vereniging Hogescholen (VH). Dit programma komt er omdat er veel gebeurt op het gebied van open onderzoek in het hbo. Dat vraagt onder andere het nodige van de onderzoeksondersteuning. Om de ondersteuning van open onderzoek goed te regelen moet  dit ook bestuurlijke aandacht krijgen, en daar kan een gezamenlijk programma bij helpen. 
 
De resultaten die de werkgroep Metadata oplevert voor het platform, zijn ook nuttig voor het dcc. Andersom is de werkgroep infrastructuur van het dcc weer nuttig voor het platform. Er is dus niet zozeer overlap, maar ze zijn complementair. Er wordt goed gecommuniceerd tussen de beide projecten. 
 

Hoeveel overlap is er met andere platforms zoals Researchgate en hoeveel behoefte hebben gebruikers aan 'nog een platform'?

Er zijn inderdaad al meerdere organisaties en platforms die zich al langer bezighouden met het beschikbaar maken van onderzoek. Dit project is gestart, omdat er gesignaleerd werd dat ondanks de bestaande initiatieven het nodige aan zichtbaarheid en beschikbaarheid van praktijkgericht onderzoek op een landelijk niveau miste. ‘Landelijk’ betekent in deze context: hogeschool- en discipline-overstijgend.  
Om goed te monitoren of dit signaal klopte, hebben we voor de start van het project een vooronderzoek uitgevoerd onder onderzoekers en hun contacten in het werkveld. Dat onderstreepte de behoefte aan een verbetering van de huidige kennisinfrastructuur: de conclusies staan in een rapport.  
Ook in de vervolgstappen van het project gaan we telkens met diverse (beoogde) gebruikers uitgebreid in gesprek over wat het platform moet bieden om echt meerwaarde te leveren op de bestaande platforms en initiatieven.  
 
Het blijft een gegeven dat onderzoeker al op veel plekken informatie moeten of kunnen aanleveren. Een belangrijk onderdeel van het ontwerp van het platform zijn dan ook de koppelingen met bijvoorbeeld sociale media, en de koppelingen die ervoor zorgen dat zoveel mogelijk reeds geregistreerde informatie hergebruikt kunnen worden op dit platform. 

Het succes van het platform wordt mede bepaald door de aanlevering van deelnemende hogescholen. Zijn of komen er initiatieven, naast de ontwikkeling van het platform, om de kwaliteit van onderzoeksregistratie van hogescholen op een goed niveau te krijgen?

Er is onlangs een verkenning gedaan naar de behoeftes in het omgaan met onderzoeksinformatie in het hbo. Met onderzoeksinformatie wordt bedoeld: alles wat onderzoek omschrijft, zoals gegevens over personen, financiering, resultaten, etc. In het wo en in een enkel geval in het hbo wordt er voor de registratie van die gegevens gebruik gemaakt van de zogeheten current research information systems (CRIS), zoals PURE van Elsevier. Er zijn nogal wat verschillen tussen het hbo en het wo en bij hogescholen onderling, bijvoorbeeld in de vorm van onderzoeksresultaten of de omvang van het onderzoek. Daarom zullen bij verschillende hogescholen ook verschillende manieren van omgaan met onderzoeksinformatie passen. Daarover is een rapport verschenen dat handvaten biedt in het omgaan met onderzoeksinformatie.